Dit programma brengt drie zeer verschillende benaderingen van het pianotrio samen.
Het eerste deel uit het zogenoemde Geistertrio van Ludwig van Beethoven dankt zijn bijnaam aan het geheimzinnige, onrustige karakter dat tijdgenoten al vroeg associeerden met een ‘spookachtige’ sfeer; Beethoven werkte in deze periode aan schetsen voor een opera over Macbeth, en die donkere theatrale spanning lijkt hier door te klinken.
Het Trio élégiaque van Sergej Rachmaninov ontstond kort na het overlijden van Tsjaikovski en draagt de sporen van diens invloed, zowel in de weidse melodielijnen als in de elegische toon, terwijl het werk tegelijk Rachmaninovs eigen melancholische stem aankondigt.
Het programma besluit met het Eerste pianotrio van Johannes Brahms, uitgevoerd in de ingrijpend herziene tweede versie uit 1889: Brahms liet slechts weinig jeugdwerken ongemoeid, maar keerde hier na meer dan dertig jaar terug naar zijn eerste grote kamermuziekwerk, dat hij herwerkte tot een compact en architectonisch doordacht geheel waarin dramatische kracht en lyrische intimiteit zorgvuldig in balans zijn.